Er zijn wel honderd verschillende reumatische aandoeningen. Het hangt van de soort en de ernst van de reuma af welke invloed de ziekte heeft op het werk. Iemand met reumatoïde artritis (een veel voorkomende vorm van reuma) heeft de grootste kans dat werken uiteindelijk niet meer lukt. Vooral in de eerste drie jaar van de ziekte stoppen veel patiënten noodgedwongen met werken. Vijf jaar na de diagnose werkt 40% niet meer, na tien jaar is dat meer dan de helft en na 15 jaar is 60-70% arbeidsongeschikt (TNO, Miedema).
Ook bij andere reumatische ziekten zoals artrose, fibromyalgie of de ziekte van Bechterew valt werken niet altijd mee. Dat het over grote aantallen gaat is duidelijk als je bedenkt dat jaarlijks 140.000 mensen te horen krijgen dat ze een vorm van reuma hebben. Eén op de vijf Nederlanders van boven de twintig jaar (2,3 miljoen mensen) heeft een aandoening van het houdings- of bewegingsapparaat. Velen raken arbeidsongeschikt. In 2000 ging een bedrag van 2,36 miljard euro naar deze groep mensen. Reuma kost de maatschappij dus heel veel geld.
Bij reuma wisselen 'rustige' en 'actieve' perioden elkaar af. In een rustige periode voelt een reumapatiënt zich 'goed' en kan hij allerlei activiteiten ondernemen, terwijl hij zich nauwelijks meer kan bewegen als de ziekte actief is. Veel mensen kunnen die grilligheid niet bevatten. Dit onbegrip over de ziekte is voor veel reumapatiënten een soort 'tweede pijn'. Zij zijn juist erg gemotiveerd om aan het werk te blijven en aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen. Dat kost veel energie, maar dat is het hun waard.
Werken zorgt voor inkomen, eigenwaarde, zelfstandigheid en sociale contacten; dus een groot deel van de reumapatiënten doet moeite om aan de slag te blijven. Steun en hulp van collega's en leidinggevenden is daarbij erg belangrijk. Door de taakverdeling aan te passen, andere werktijden of een aangepaste werkplek kan de reumapatiënt soms (parttime) blijven werken.